Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+Email this to someonePrint this page

Het Israelische hooggerechtshof heeft op verzoek van de Procureur-Generaal Avichai Mendelblit de uitvoering van de zogenaamde onteigeningswet opgeschort. Het gerechtshof vonniste dat de tijdelijke bepaling, waarin staat dat de Staat voorlopig geen illegale huizen in de nederzettingen zal verwoesten en tegelijkertijd ook geen land in bezit van Palestijnen zal onteigenen, rechtsgeldig is. Deze bepaling is de uitkomst van verzoekschriften ingediend door 17 Palestijnse lokale besturen in de bezette gebieden, samen met Palestijnse landeigenaren, en de mensenrechtenorganisaties Adalah, Yesh Din en de Organisatie voor Burgerrechten in Israel.

De wet die vorige maand in de Knesset werd aangenomen legaliseert de onteigening van particulier Palestijns land waarop nederzettingen zijn gebouwd zonder kwade opzet (noot vertaler: uitdrukking uit de rechtspraak: er is niet willens en wetens een wet overtreden) of met toestemming van de regering.

Een dag voordat Mendelblit zijn verzoek indiende, hebben acht kolonisten een verzoek bij het hooggerechtshof neergelegd waarin geëist werd dat de [onteigenings]wet in werking zou worden gesteld. De kolonisten die in huizen wonen die door deze wet met terugwerkende kracht gelegaliseerd zouden worden, eisten dat de wet wordt uitgevoerd omdat er geen verzoek tot opschorting was ingediend en er daarom geen juridisch bezwaar was om de wet uit te voeren. Waarschijnlijk vormde deze eis de aanleiding voor Mendelblit’s verzoek tot opschorting.

De Staat, vertegenwoordigd door een civiel jurist, en niet door de landsadvocaat, heeft daarop een paar dagen later het hooggerechtshof verzocht om juridische beroepen tegen de onteigeningswet nietig te verklaren:

“De [onteigenings]wet is een menselijk, proportioneel en redelijk antwoord op de oprechte ongerustheid van Israelische burgers”

Verder beargumenteerde de Staat dat het “praktisch alternatief” is dat de bestaande situatie wordt gehandhaafd, en die is, volgens de Staat, ontwrichtend voor het dagelijks leven van “honderden families” in nederzettingen, waaronder families die huizen hebben gebouwd, waarvan de autoriteiten hadden gezegd dat de bouw was toegestaan.

“Veel gedoe om niets”

De Staat voegde daar aan toe dat de wet grondwettelijk is volgens de Israelische wet en ook voldoet aan de eisen van internationaal recht. Behoudens specifieke bepalingen verleent de wet toestemming aan joodse kolonisten om te blijven wonen in huizen die op privaat Palestijns land zijn gebouwd, hoewel zij daardoor niet eigenaar van de grond worden. De wet verwerpt tevens het recht van de Palestijnse eigenaren om het land op te eisen of in bezit te nemen “totdat er een diplomatieke oplossing is voor de status van de gebieden”.

In de onteigeningswet staat ook een compensatiebepaling voor Palestijnen van wie grond is geconfisqueerd. Een landeigenaar kan een jaarlijkse gebruiksvergoeding ontvangen van 125% van de grondwaarde, vastgesteld door een beoordelingscommissie, of kan kiezen voor een ander stuk land als dit mogelijk is – de keuze is aan de Palestijnse landeigenaar. In het verweerschrift werden gegevens gebruikt van het Israelisch Civiel Bestuur op de Westoever. [Zie kader]

 


Volgens cijfers van het Israelisch Civiel Bestuur (ICB) staan er 3455 huizen en openbare gebouwen op de Westelijke Jordaanoever op privaat Palestijns land. Volgens het ICB zijn deze gebouwen in 3 categorieën onder te verdelen.

Categorie 1

De eerste categorie gaat om 1285 gebouwen die duidelijk op private grond staan. Deze zijn in de afgelopen 20 jaar neergezet op grond dat nooit is gedefinieerd als staatsgrond en er zijn sloopbevelen uitgevaardigd voor deze gebouwen. De gebouwen staan in of dichtbij 74 nederzettingen verspreid over de gehele Westoever, waarvan 874 in buitenposten – kleine, illegale buitenwijken van grotere nederzettingen, zoals Amona, dat in februari van dit jaar werd ontruimd. De overige 411 bouwsels staan op stukjes particuliere grond binnen een aantal legale nederzettingen, gepland in overeenstemming met het Israelisch recht.

543 gebouwen staan volgens de ICB op ‘geregulariseerd privaat land’, wat betekent dat de eigenaren bekend zijn en hun eigendom staat geregistreerd. De overige huizen staan op grond erkend als particulier bezit nadat luchtfoto’s aantoonden dat het land sinds jaar en dag bewerkt wordt, maar er is geen registratie van personen die op het land aan het werk waren. Land bewerken betekent het land bezitten volgens de wetten uit de Ottomaanse tijd die op de Westoever nog steeds gelden.

Categorie 2

De tweede categorie gaat om 1048 gebouwen op privaat land dat eerder ten onrechte werd gedefinieerd als staatsgrond. De oorspronkelijke bepalingen over staatsgrond waren gebaseerd op verouderde landmetingstechnieken. Door vernieuwde technologie werden fouten ontdekt en stukken grond van de lijst gehaald van percelen die staatseigendom zijn.

1048 gebouwen bevonden zich plotseling buiten de ‘blauwe lijn’, de demarcatielijn van staatsland, waarvan 799 in gebieden staan, neergezet volgens een geldig masterplan, gebaseerd op eerdere vaststellingen van staatsgrond. In deze subcategorie vallen 303 gebouwen die in de ultraorthodoxe nederzetting Modi’in Illit staan.

Categorie 3

De derde categorie gaat om 1122 gebouwen die meer dan 20 jaar geleden zijn neergezet, in een tijd dat regelgeving voor bouwen op particuliere Palestijnse grond op de Westoever in de praktijk nauwelijks werd nageleefd. Deze gebouwen staan op privaat land, waarvan de ICB erkent dat in de meeste gevallen de eigenaren van de grond bekend zijn.

Tot 1998 was het beleid weinig of geen rechtshandhavingsmaatregelen uit te voeren in de nederzettingen. 480 gebouwen in deze categorie staan in Ofra, 193 in Beit El en 146 in Elon Moreh, en tientallen huizen in een aantal andere nederzettingen.

Totaal

Al met al zijn er van de 3455 gebouwen op Palestijns land in particulier bezit, 1576 (ongeveer 45%) gebouwd op geregulariseerd privaat land en de rest op land waarvan de eigenaren niet geregistreerd staan. Dit aantal heeft alleen betrekking op woonhuizen en openbare gebouwen, mobiel of permanent, en niet op andere typen bebouwing zoals opslagplaatsen, hekken, wegen en infrastructurele voorzieningen die ook op privaat land zijn gebouwd.

Het ICB document geeft ook een gedetailleerd overzicht van het aantal slooporders tegen illegale bouwsels in de nederzettingen: 285 tussen 2012 en 2016; 251 tussen 2007 en 2011; 451 tussen 2002 en 2006; 278 tussen 1997 en 2001 en slechts 20 tussen 1992 en 1996.


Samenvattend verklaarde de Staat dat, hoewel er veel issues die ten grondslag liggen aan de ingediende bezwaarschriften diepgaand onderzocht moeten worden, het uiteindelijk “veel gedoe om niets” is. De wet is volgens de Staat niet in strijd is met welk precedent of rechtsbeginsel dan ook, en is juist bedoeld om een unieke en complexe situatie aan te pakken die soms heeft geleid tot sloop waar niemand profijt van had – een situatie die voor honderden families “een wolk van onzekerheid” betekent.

In een reactie daarop verklaarden Yesh Din, Peace Now en de Organisatie voor Burgerrechten in Israel – mede-indieners van de bezwaarschriften:

“De Staat Israel probeert, in hun antwoord vandaag, de landonteigeningswet te presenteren alsof het een nationaal probleem is, terwijl het in de praktijk gaat om niet aflatende overheidssteun aan een criminele praktijk die al tientallen jaren voortduurt.”

“De overheid bagatelliseert de voortdurende schending van de rechten van de Palestijnse landeigenaren, en probeert tegelijkertijd de Israelische burgers die deelnemen aan de plundering van Palestijnen op de Westoever neer te zetten als mensen die benadeeld worden en die ‘gecompenseerd moeten worden’ voor hun aandeel in de landroof.

We hopen dat het Hof de argumenten van de Staat afwijst, deze ongrondwettelijke en immorele wet nietig verklaart en een luid en duidelijk signaal afgeeft: Niet meer.”

Vertaling (ingekort) van 3 artikelen van Yotam Berger op www.haaretz.com op 18, 22, 23 augustus